01-08-2007
Tijdens de Arabisch-Israëlische oorlog in 1948, vonden duizenden Arabieren een
toevluchtsoord in Libanon. Zij werden door de verschillende bevolkingsgroepen
broederlijk opgenomen en leefden tot 1965 in een goede verstandhouding met
elkaar. Het was over met de rust toen ze met hulp van islamitische milities de eerste
botsingen uitlokten met het Libanese leger en in Zuid Libanon kampen begonnen in
te richten om van daaruit doelen in Israël te bestoken. De terreurbendes zaten al
vast in het zadel voordat de Libanese regering de omvang van het gevaar
onderkende en lijdzaam moest toezien hoe Beiroet door talloze bomaanslagen en
sluipschutters veranderde in een hel op aarde. Een bloedig treffen in Beiroet tussen
Palestijnse Fatah-terroristen en christelijke milities luidde in het voorjaar van 1975
het begin van de Libanese burgeroorlog in. Henry Kissinger waarschuwde alle
buurlanden ( in het bijzonder Israël) afzijdig te blijven. Yasser Arafat's
moordmachine telde indertijd zo'n 20.000 door Rusland opgeleide en bewapende
terroristen. Zijn bedoeling was met dit leger, de macht in Libanon over te nemen
.Ook Syrië begon zich met de situatie te bemoeien en trok 1 juni 1976 met twee
divisies het land binnen , om zogenaamd de christelijke Falangisten bij te staan.
Maar in werkelijkheid was het de bedoeling het land te bezetten. De Amerikaanse
geheime dienst meldde: "Er is niets wat op een invasie van Libanon wijst."
De Syriërs vernietigden, de democratie en de bloeiende economie. Zij mengden zich
in de binnenlandse aangelegenheden onder het mom van "broederhulp" en
bombardeerden meedogenloos de dorpen en steden. Het was pure volkerenmoord
wat ze in Libanon aanrichten. Yasser Arafat droomde ervan eerst alle christenen uit
het zuiden van Libanon te verdrijven cq te vermoorden, om daarna de leiding in het
hele land over te nemen. Hij was van plan in Libanon de staat Palestina uit te
roepen, net als hij dat enkele jaren daarvoor in Jordanië van plan was geweest.
Alles was daartoe voorbereid tot aan de nummerplaten op de auto's toe.
Christenen werden door moslimbendes ontvoerd, gemarteld, de ogen uit gestoken,
oren afgesneden en met gloeiende poken werden kruizen op hun ruggen gebrand.
Bij kinderen werden de vingers afgehakt zodat ze later niet konden deelnemen aan
de strijd. Er is een geval bekend waarin schoolkinderen in de tuin van hun school
staande in een manshoge groeve werden neergezet in hun schooluniform, met blazer
en das, en vermoord. In naam van de "grote, te verdedigen Palestijnse zaak" werd
om het hardst gefolterd, gemoord en verminkt. Een tehuis voor gehandicapten, dat
verbonden was met het christelijke ziekenhuis werd vrijwel volledig verwoest. De
president van Libanon, Suleiman Franjieh gaf een verklaring af: "Libanon heeft
hen een schuilplaats geboden en ons loon is de vernietiging van ons land en de
uitmoording van zijn bewoners. Ik heb de Palestijnse zaak 35 jaar lang gediend,
maar ik heb nooit gedacht, dat er nog eens een dag zou komen, waarop ik God zou
moeten vragen om vergeving van de zonde een volk gesteund te hebben, dat geen
steun verdiende"
Er bestaat een onvoorstelbare lange lijst van PLO-misdaden tegen de bevolking van
Zuid-Libanon. Vlak na de oorlog hebben zo'n 5000 gezinnen zich vrijwillig gemeld
om getuigenverklaringen af te leggen opdat de wereld kennis zou nemen van de
misdaden van Arafat's moordmachines. In steden als Sidon trof men een wirwar
van cellen en onderaardse kerkers aan waarin mensen waren gefolterd. Getuigen
vertelden dat folteringen vaak nachtenlang duurden en met uiterst sadistische
middelen volvoerd werden. Het schreeuwen van vrouwen en meisjes was buiten te
horen. Zij waren de slachtoffers van ontvoeringen en verkrachtingen, dikwijls vele
malen achtereen. De moektar van Burg-Bahal sprak met verachting over de
terroristen en vergeleek hen met de Nazi's. Hij vertelde van een geval waarin een
man van collaboratie met Israël werd beschuldigd en in het openbaar op een groot
plein werd terechtgesteld. De armen en benen van de man werden aan de bumpers
van vier auto's gebonden. Op een afgesproken teken- een door een Fatah-officier
afgevuurd pistoolschot- begonnen de auto's te rijden, twee naar voren en twee naar
achteren, waarbij de ledematen van de man uit elkaar getrokken werden. Mensen
op het plein vielen flauw van de verschrikkingen die ze zagen. Ook tegenwoordig
passen de Palestijnen de meest gruwelijke methoden toe op vermeende
collaborateurs, en opnieuw zwijgt de wereld en is er niemand die het voor deze
mensen opneemt. "Acht jaar lang waren wij levende doden" sprak de moektar van
Burg-Bahal. "We werden pas weer tot leven gewekt, toen de Israëli's kwamen om
ons te bevrijden."
Niel C.Livingstone en David Halevy schrijven in hun boek "Inside the PLO" dat
Arafat en zijn kompanen opereerden als een multinationaal misdaadsyndicaat. Hij
hield zich bezig met afpersing, omkoping, diefstal, drugshandel en moord om in zijn
financiële behoefte te voorzien. In zijn boek "Babylon of Jeruzalem" gaat Jan
Willem van der Hoeven, thans directeur van het International Christian Zionist
Center, nader in op passages uit het boek van Livingstone en Halevy en beschrijft
enkele hartverscheurende uitspraken van mensen die de moordpartijen overleefden.
"Een jong christelijk meisje, Susan S. die kort na de 'burgeroorlog' naar Beiroet
was teruggekeerd uit Amerika waar ze een universitaire opleiding had afgerond, is
een verminkte overlevende van het PLO-geweld. Zij was bij haar ouders thuis toen
een aantal PLO-officieren binnenkwamen. Zij doodden Susans vader en broer,
verkrachten haar moeder, die een bloeding kreeg en stierf. Zij verkrachten Susan
'vele maken' sneden haar borsten af en schoten haar neer. Uren later werd ze
gevonden. Ze leefde nog, maar haar ledematen waren zo ernstig gebroken en door
kogels verscheurd, dat zij geamputeerd moesten worden. Zij hield slechts een
bovenarm over. Nonnen verzorgden haar in een ziekenhuis hoog in de bergen ten
noorden van Beiroet. Zij heeft dikwijls gevraagd om haar te laten sterven. Na de
verdrijving van Arafat uit Beiroet in 1982, opperden een aantal christelijke
vrouwen het idee om Susans foto op een Libanese postzegel te drukken, omdat haar
lot, volgens deze vrouwen, het lot symboliseert van wat er met de bewoners in hun
land is gebeurd."
Op 19 oktober 1976 vielen zo'n duizend PLO-terroristen het dorpje Aishiye binnen.
Zij verzamelden iedereen-honderd gezinnen- en sloten hen op in de kerk. Ongeveer
zestig moesten buiten blijven. De mensen in de kerk hoorden vervolgens
machinegeweervuur, gevolgd door een doodse stilte. Twee dagen werden ze
opgesloten. Toen de kerkdeuren werden geopend zagen ze vijfenzestig dode
lichamen van mannen, vrouwen en kinderen in een poel van bloed.
Op 9 januari 1977 werd de christelijk Libanese stad Damour omringd door troepen
van Sa'iqa bestaande uit 16.000 Palestijnen en 15 verschillende groepen huurlingen
onder meer uit Syrië, Iran, Libië, Irak, Afghanistan en Pakistan. De priester
Mansour Labaky belde een aantal moslimleiders om te vragen om hulp maar kreeg
van iedereen te horen dat ze er niets aan konden doen. Hij belde ook naar Arafat
maar kreeg een naaste medewerker aan de telefoon die zei: "vader, maak je niet
bezorgd, wij zullen jou niets doen. Als wij gaan aanvallen zal dat om strategische
redenen zijn." De eerste invasie kwam ongeveer een uur na middernacht. De
mannen van Sa'iqa stormden de huizen binnen en vermoorden zo'n vijftig mensen.
Labaky rende de straat op en hoorde het schreeuwen van de slachtoffers. Mensen
ontvluchten hun huizen in nachtkleding roepend: "ze vermoorden ons allemaal." De
stad probeerde zichzelf te verdedigen. Tweehonderd en vijfentwintig jonge jongens-
de meeste slechts 16 jaar oud- zonder ook maar enige militaire ervaring, hielden 12
dagen stand. Alle toevoerlijnen naar de stad werden afgesloten en het
elektriciteitsnet uitgeschakeld.
Op 23 januari brak de hel pas echt los en werden honderden christenen gedood.
Mansour Labaky vervolgt: "De aanval vond plaats vanaf de achter hen gelegen
berg. Het was een Apocalyps. Ze kwamen met duizenden en duizenden, al
schreeuwend: 'Allahu akbar'(allah is de grootste)Laat ons hen aanvallen voor de
Arabieren, laat ons een holocaust offeren aan Mohammed." Iedereen die op hun
weg kwam werd vermoord. Arafat's barbaren waren erop getraind de tegenstander
hetzij dood of levend te verminken. Zij maakten foto's van hun slachtoffers en
verkochten deze later aan sensatie beluste Europese kranten. Er was geen enkele
limiet meer te bespeuren en niemand kon ze meer stoppen. Als in een
"vreugderoes" werden jonge Maronieten ontmand, vrouwen verkracht en daarna
met pikhouwelen vermoord, zuigelingen in vier stukken geslagen, graven
opengebroken, beenderen op straat gesmeten, met schedels gevoetbald en beelden
van Jezus aan flarden geschoten. Ritueel aandoende moorden en verminkingen
waren aan de orde van de dag. Damour werd verwoest en leeggeroofd, haar
inwoners afgemaakt haar kerken verbrand en haar kerkhoven geschonden. De
schattingen van het aantal doden loopt in de duizenden. De Wereldleiders en de
westerse pers repten met geen woord over het bloedbad in Damour. Arafat's Fatah
beweging en het "Popular Front for the Liberation of Palestine" namen de stad in
bezit waarna het een centrum werd van waaruit het internationale terrorisme werd
gepromoot. De kerk van St Elias werd gebruikt als garage voor PLO voertuigen.
Spreuken 1:16 want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te
vergieten…
De PLO ontpopte zich meer en meer tot een staat binnen de staat, zij zette de
bevolking onder druk en terroriseerde ieder die protesteerde. Dr Ghassan
Hamourd, een soennitische moslim, directeur van het grootste en best uitgeruste
ziekenhuis in de stad Sidon vertelde:
"De PLO zorgde ervoor dat ik hen ging haten, niet omdat ze eisten dat hun
gewonden gratis behandeld werden, noch omdat ze deden alsof mijn ziekenhuis van
hen was; het was omdat ze de operatiekamer binnenvielen en ons dwongen met
opereren te stoppen om hun gewonden daarvoor in de plaats te behandelen. Ze
sloegen een van onze artsen die hen weigerde te gehoorzamen zo vreselijk, dat ik
me realiseerde met beesten uit de jungle van doen te hebben. Iedere aspirant
PLO-officier was gewoon door onze straten te racen in een spiksplinternieuwe
Mercedes met naar buiten stekende machinegeweren."
Ook Israël kreeg met steeds fellere aanvallen van de PLO te maken. Toen de plaats
Kiryat Shmona met honderden raketten werd bestookt en een groep Palestijnse
terroristen op 11 maart 1978 vanuit zee Israël binnenvielen, een bus kaapten en op
de snelweg tussen Haifa en Tel Aviv 36 onschuldige Israëlische burgers
vermoorden, was voor Israël de maat vol en reageerde het Israëlische leger met een
invasie onder de naam "Operation Litani". Aan deze operatie namen ongeveer
30.000 militairen deel in een eerste poging de PLO uit Zuid-Libanon te verdrijven.
Door bemiddeling van de VS kwam het in de zomer van 1981 tot een
staakt-het-vuren maar ondanks deze overeenkomst werd deze wapenstilstand bijna
150 maal door de PLO geschonden. Sinds 9 mei 1982 werden 28 terreurdaden in
Israël en in het buitenland gepleegd, met uiteindelijk de moordaanslag op de
ambassadeur Shlomo Argov in Londen. Het staakt-het-vuren werd door de PLO zo
opgevat, alsof zij nu de hand vrij had om overal in de wereld, behalve in Libanon,
terreuraanslagen uit te voeren. Sinds die dag planden of begingen de Palestijnse
terroristen alleen al in Europa 19 aanslagen op Israëlische en joodse doelen en
personen.
Op 6 juni 1982 publiceerde de regering van Israël de volgende verklaring: "Het
kabinet heeft heden besloten ervoor te zorgen, dat de burgerbevolking van Galilea (
het noorden van Israël) buiten het bereik zal komen te liggen van de beschietingen
door de terroristen in Libanon." Deze reactie kwam toen een regen van raketten en
andere projectielen op de burgerbevolking van 23 steden en dorpen van
Noord-Israël werd afgevuurd. Onder de naam "Operation Peace for Galilee" vielen
de Israëlische troepen met sympathie van de zuidelijke Amal militie, op drie fronten
Libanon binnen. Vele buitenlandse politici zagen de Israëlische inval met
welgevallen gebeuren omdat de Palestijnse vluchtelingenkampen opleidingscentra
voor het internationale terrorisme geworden waren. Israël was niet uit op het
veroveren van grondgebied maar respecteerde de territoriale integriteit van
Libanon. Het Israëlische leger kreeg het bevel bijzondere voorzichtigheid ten
opzichte van de burgers in acht te nemen. Gezien echter de systematische politiek
van de PLO om hun bases, trainingskampen, wapendepots etc, juist in woonwijken
en steden op te zetten, werd er soms ongewilde schade aangericht. De PLO plaatste
kanonnen op het dak van bijvoorbeeld een ziekenhuis in Sidon. Speelplaatsen van
kinderen werden veranderd in artilleriestellingen. Iedere Israëlische officier ontving
een landkaart met precieze aanduidingen waar de terroristenstellingen te vinden
waren. Bij iedere strategiebespreking voor de gevechten werden de soldaten door
hun officieren opgeroepen, al het mogelijke te doen, om de burgers te sparen.
Arafat's terreurleger telde op dat moment nog zo'n 18.000 man inclusief 5000 man
uit onder meer Libië, Irak en India.
In het vluchtelingenkamp Ain-el-Hilweh duurden de gevechten 6 dagen, van 9 tot 14
juni 1982. Oorzaak waren hier de schier bovenmenselijke inspanningen om de
civiele, niet strijdende bevolking die door de PLO in gijzeling gehouden werd en als
menselijke schilden werden gebruikt, te vrijwaren van schade. (Ook tijdens de
huidige gevechten met het Israëlische leger passen de Palestijnse terreurgroepen
deze strategie nog steeds toe, door onder meer kinderen als schietschijf te
gebruiken.) In het genoemde kamp werden bunkers vol wapens, munitie en andere
door de Russen geleverde militaire uitrustingen aangetroffen. Israël heeft door haar
ingrijpen Libanon behoed voor een totale ondergang. Binnen enkele dagen stond
het IDF voor de poorten van Beiroet. Op 15 september 1982 bezetten Israëlische
troepen West-Beiroet en omsingelen ze de Palestijnse wijken Sabra en Shatilla.
Doel van de actie was het uitschakelen van de naar schatting 2000 PLO terroristen
die zich daar nog bevonden. Steeds opnieuw laait de discussie op over het bloedbad
dat destijds in de beide Palestijnse 'vluchtelingenkampen' is aangericht en wordt
Israël's huidige premier Ariel Sharon door de anti-Israël lobby aangewezen als de
grote boosdoener voor deze massamoord. In werkelijkheid waren het de
Christelijke Libanese Strijdkrachten onder leiding van Elie Hobeika, de vroegere
chef van de inlichtingendienst van de christelijke milities in Libanon, die
verantwoordelijk waren voor het bloedbad. De Libanezen houden het aantal
slachtoffers op ca 460, het Israëlische leger spreekt van een aantal van 700 tot 800
doden, en het Rode Kruis van ca 2750 slachtoffers.
De door Arafat's PLO gepleegde moorden op de Libanese christenen, vormde de
aanleiding van de aanval op Sabra en Shatilla. Hobeika werkte indertijd voor de
Syrische inlichtingendienst en werd toen al verantwoordelijk gesteld voor een lange
reeks moorden. Dit staat vermeld in het in 1983 verschenen Kahan-rapport,
opgesteld door de commisie-Kahan onder voorzitterschap van de president van het
Hooggerechtshof. In dit rapport wordt ook de rol van Sharon beschreven. De
commissie concludeerde na het horen van vele getuigen dat bij niemand aan de
Israëlische kant de intentie bestond de gewone burgers kwaad te berokkenen. Wel
werd Sharon 'indirecte verantwoordelijkheid' verweten omdat hij het gevaar- dat
de christelijke Falangisten wraak zouden nemen- zou hebben onderschat. Het
aantal vermoorde christenen wordt geschat op 13.000. Onder deze slachtoffers,
waren verscheidene familieleden van Hobeika onder wie zijn verloofde. Terwijl het
verhaal over de slachting in Sabra en Shatilla de wereld blijft bezig houden, wordt
er geen enkele aandacht besteed aan de inval van de door Syrië gesteunde Amal
militie in de kampen Shatilla en het kamp Burj-el Barajn waarbij volgens de
Verenigde Naties 635 Palestijnen werden vermoord en rond de 2500 gewonden
vielen. Omdat Israël er op geen enkele wijze bij betrokken was, en daardoor niet
van deze slachting kon worden beschuldigd, spreekt deze moordpartij kennelijk niet
zo tot de verbeelding.
Arafat's moordmachines kwamen uiteindelijk zo zwaar onder vuur te liggen dat ze
onder dekking van de "Multinational Force" moesten worden geëvacueerd. Een
deel van Arafat's aanhang sloeg -aangewakkerd door Syrië- aan het muiten omdat
men ernstig begon te twijfelen aan zijn leiderschap. Rond de 4000 terroristen
bleven trouw aan de terreurbaas, maar zij werden uit de Bekaa vallei verdreven
naar vluchtelingenkampen in de buurt van Tripoli. Op 30 augustus 1982 werden
Arafat en zijn resterende bendeleden met Griekse schepen onder Franse
bescherming geëvacueerd en naar Tunesië gebracht van waaruit de terreur tegen
Israël werd voortgezet. Dit leidde tot een tegenaanval op Arafats hoofdkwartier in
Tunis waarbij zijn onderkomen door Israëlische vliegtuigen met de grond gelijk
werd gemaakt en 60 terroristen stierven en 70 gewond raakten. Na Arafat's
verdrijving verschijnt terreurstaat Iran ten tonele en verleent steun aan de in 1982
opgerichte Shi'itische Hezbollah, dat volgens zijn manifest " de complete
vernietiging van de Staat Israël" predikt, waarbij de "vestiging van een Islamitisch
bestuur over Jeruzalem" het uiteindelijke doel is. Terwijl alle Libanese milities na
de burgeroorlog worden ontwapend, nemen onder toeziend oog van Syrië zwaar
bewapende Hezbollah terroristen de door de door Arafat's bende verlaten stellingen
in zuid-Libanon in.
Volgens meldingen van kranten uit Beiroet werden in de burgeroorlog in Libanon,
98.854 mensen gedood en 255.542 gewond. Als gevolg van de PLO-terreur vluchten
180.000 mensen weg uit Zuid-Libanon. De Libanese christenen zijn met
uitzondering van Israël, wereldwijd in de steek gelaten. De VN zwegen, de
wereldleiders zwegen, en ook de kerken lieten geen protest laten horen over de
massamoord op hun geloofsgenoten.
Een Arabische stem voor Israël.
De volgende tekst is afkomstig van een op 14-11-2004 gehouden toespraak door
Brigitte Gabriël aan de Duke Universiteit. Zij is een overlevende van de Palestijnse
terreur in Libanon. De toespraak is gehouden in dezelfde week waarin de
"Palestine Solidarity Movement" daar een anti-Israël conferentie hield.
"Ik ben trots hier vandaag te mogen staan als Libanese en te mogen spreken voor
Israël, de enige democratie in het Midden-Oosten. Als voormalig inwoner van een
Arabisch land, wil ik u een vluchtig kijkje laten nemen in het hart van de Arabische
wereld. Ik ben opgegroeid in Libanon waar ik niet beter wist dat de joden duivels
waren die men de zee in moest drijven. Toen de moslims en de Palestijnen de oorlog
verklaarden aan de Libanese christenen in 1975, starten zij slachtpartijen onder de
christenen, dorp na dorp. Ik heb van mijn 10e tot mijn 17e in een schuilkelder
geleefd, verstoken van elektriciteit, gebrek aan voedsel (soms moesten we gras eten) en
onder vuur van sluipschutters water uit een bron halen.
Het was Israël dat ons te hulp kwam. Mijn moeder was gewond geraakt door een
granaatscherf en was opgenomen in een Israëlisch ziekenhuis voor behandeling.
Toen wij de noodafdeling binnenkwamen was ik ronduit geschokt van wat ik daar
aantrof. Daar waren honderden gewonde mensen, moslims, Palestijnen, christenen
en Israëlische soldaten, bij elkaar liggend op de vloer. De artsen hielpen iedereen
aan
hun verwondingen. Zij hielpen mijn moeder nog voor zij een Israëlische soldaat
behandelden die direct naast haar lag. De artsen keken niet naar religie of wat hun
politieke achtergrond ook was. Voor de eerste keer in mijn leven werd ik met een
menselijke eigenschap geconfronteerd die ik in mijn cultuur nog nooit had
meegemaakt.Ik zag hoe de Israëli's het leven van anderen respecteerden- hoe zij liefde
voor hun vijanden konden opbrengen, zelfs in hun meest moeilijke momenten.
Ik bracht 22 dagen door in het ziekenhuis. Deze dagen hebben mijn hele leven
veranderd en de manier waarop ik naar de media ben gaan luisteren. Ik realiseerd
e
mij dat ik altijd had geluisterd naar gefabriceerde leugens van mijn overheid over de
joden en Israël, dat achteraf zo ver van de realiteit bleek te zijn. Stel je voor dacht ik,
dat je als jood zo in een Arabisch ziekenhuis zou belanden, je zou gelyncht worden, op
de grond worden gesmeten met mensen om je heen die van vreugde zouden
schreeuwen "Allahu Akbar" (Allah is de grootste. Dat zou door het ziekenhuis
galmen en de omliggende straten.
Ik raakte bevriend met families van gewonde Israëlische soldaten, in het bijzonder
Rina wiens enige kind gewond was geraakt aan zijn ogen. Op een dag toen ik haar
bezocht kwam een Israëlische legerband bij haar langs om liedjes te spelen voor de
kinderen."
Eens was de diepste plaats in de hel weggelegd voor hen die kinderen vermoorden.
Vandaag wordt het vermoorden van Israëlische kinderen als een legitieme
aangelegenheid gezien in de "gewapende strijd" van de Palestijnen tegen Israël.De
Palestijnen vertellen hun kinderen dat het vermoorden van onschuldige Israëlische
burgers een legitieme zaak voor het bereiken van hun doel is. De hele wereld zucht
vandaag onder de plaag van het terrorisme waarvan de auteursrechten liggen bij de
Palestijnen. Zij rechtvaardigen zelfmoordaanslagen vanwege de "bezetting van hun
land". Maar laat mij de waarheid vertellen. De eerste grote door de Arabieren
gepleegde terreuraanslag tegen de Joodse staat vond plaats tien weken voordat
Israël een onafhankelijke staat werd.
Op zondagmorgen, 22 februari 1948 lieten de
Arabieren een autobom ontploffen in de Ben Yehuda straat in de joodse sectie van
Jeruzalem. Daarbij werden 54 mensen gedood en raakten er honderden gewond. Het
is duidelijk dat het Arabische terrorisme niets te maken heeft met "wanhoop door
bezetting", maar puur door het bestaan van de joodse staat. Het wordt tijd dat
iedereen opstaat om de staat Israël te verdedigen, het land dat ligt aan de frontlijn
van het terrorisme.
Zes Libanese christenen die deel hebben genomen aan de massaslachting in Sabra
en Shatilla, hebben zich voor het eerst uitgesproken in de documentaire
"Massacre" die werd getoond op het Internationale Film Festival in Berlijn op 21
januari 2005. Leden van de Christelijke strijdgroep beschrijven in detail hun
deelname aan de moord. Anoniem, met het gezicht verborgen, vertellen zij de
opdracht te hebben gekregen van Libanese veiligheidsagenten, "vermoord ze
allemaal en gooi ze uit Sabra en Shatilla"als wraak voor de moord op de Libanese
president Bashir Gemayel, een christenbroeder, twee dagen eerder." Lokman Sum,
een in Beiroet verblijvende publicist, vertelde tijdens de persconferentie dat niet
alleen christenen deelnamen aan de slachting, maar ook Libanese Shi'itische
moslims, waarvan niemand tot dusver heeft durven spreken.
Door Franklin ter Horst.
Dit artikel is reeds eerder door mij gepubliceerd. Aangezien het valse medelijden met de Palestijnen toeneemt, leek het mij
noodzakelijk de misdaden van deze barbaren nogmaals te publiceren. Afz.GEWETA.